vorige pagina

Albert Geertjes, vervolg

WAAROVER MEN NIET SPREKEN KAN, DAAROVER MOET MEN ZWIJGEN


Taal, beeld en betekenis in het werk van Albert Geertjes



IJZER


December 2009. In een druilerig bos bij Hoogeveen staan vijf levensgrote mannen. Ze zijn gemaakt van ijzeren platen. Het zijn silhouetten, drie van hen dragen een lange jas, twee dragen een hoed, zij zijn de notabelen; twee anderen, iets afzijdig, wat groter en breder, zijn blootshoofds, boerenjongens zo te zien. Op de plaats van hun hart dragen zij een kruis, of een davidster. De vormen daarvan zijn uitgezaagd, waardoor er gaten zijn ontstaan. De ijzeren mannen nemen de stemming aan van het bos. Ze zijn roestig en donkerbruin, hun schouders groenig van het mos, hun onderbenen wat donker door opspattend zand en, op een dag als deze, omringd door roestbruine herfstbladeren. Het bos is stil. De mannen zijn geheimzinnig en tegelijk heel gewoon, op hun gemak. Ze staan daar met hun handen in hun zakken, afwachtend bijna; ze zijn sterk aanwezig en toch verwacht je ieder moment dat ze zullen verdwijnen, als schimmen die even opdoemen, maar zich vervolgens weer laten opnemen in de ruimte, in de tijd.

Wie de druksels van Hendrik Nicolaas Werkman kent, zal in de mannen zijn silhouetten herkennen. Wie het verhaal van Werkman kent, zal daarom de mannen plaatsen in de Tweede Wereldoorlog. Wie de weemoed van Werkman kent, zal dezelfde weemoed herkennen in deze mannen, die hier hun zwijgend verhaal vertellen. Zij zijn doodgeschoten in dit bos, op deze plek, door andere mannen wier naam wij niet meer weten (en wier plek wij innemen wanneer we tegenover de ijzeren mannen gaan staan).

Albert Geertjes kreeg de vraag een beeld te maken ter nagedachtenis van deze mannen, slachtoffers van oorlogsgeweld, en tevens een lijn te trekken naar het heden: ook nu worden dagelijks mensen vermoord, verkracht, de mond gesnoerd. Een tekstbord, 15 meter verderop, vertelt het verhaal van de mannen in dit bos en verwijst naar het nu. De tekst helpt ons te weten wat we zien.

Een derde object in het bos is een bank, iets hoger op een heuveltje geplaatst. Wanneer de voorbijganger daarop plaatsneemt, kan hij in alle rust de ontmoeting met de mannen aangaan. Wat

als hij Werkman niet kent, noch de geschiedenis die hoort bij dit beeld?

Het is het bos, de grote beuk, nu druilerig van de regen, straks fris van het lentegroen, het is de plek

die door de aanwezigheid van deze mannen een plek is geworden en geschiedenis ademt. Het zijn de raadselachtige figuren met hun doorboorde harten, die opdoemen uit de stilte, als uit de tijd; ze horen hier en horen hier niet, ze komen op ons af, we moeten ons wel tot hen verhouden. Met hun verweerde ijzeren lichamen lijken ze van lang geleden, maar omdat ze er zijn en zich hier aan ons voordoen, zijn ze niet alleen van toen, maar ook van nu.

Het beeld van Albert Geertjes betrekt ons bij de plek, bij de geschiedenis en het raadsel van de tijd; bij de alledaagsheid van de wreedheid, bij de kwetsbaarheid van ons bestaan. Het laat ons stilstaan en raakt ons, ook zonder het vertelde verhaal. Wat gezegd moest worden, is niet exacter te zeggen dan in dit beeld.


GLAS


Middenin een Groningse nieuwbouwwijk, naast de berm van de weg, in de onrust van een parkeerplaats, een papiercontainer en een fietsenschuur, staat bij een groot omheind gebouw, een beeld, dat niet alleen opgebouwd is uit de letters van een gedicht, maar zelf ook als een gedicht is. Stil, poëtisch, evocatief, vertelt het zijn verhaal voor wie het, door de ruis van de omgeving heen, horen wil.

Een glazen figuur staat in een ijzeren kooi die gevormd is door een tekst vol heimwee, verwijzend naar een vroeger dat voorbij is. De tekst is opgebouwd uit roestige letters en niet eenvoudig te lezen; hij dringt in flarden tot ons door: ‘Weet je nog liefje, wie we waren…’ Een lamp verlicht de figuur van bovenaf, waardoor hij ijl en kwetsbaar wordt, bijna engelachtig; zijn breekbaar doorzichtig lichaam in contrast met de ijzeren kooi waarin hij zich bevindt, de nadruk op zijn hoofd, zijn geest. Is de kooi zijn gevangenis, of is hij opgesloten in eigen gedachten, in zijn eigen verhouding tot de tijd, het leven zoals het is gelopen, de geschiedenis? Net als bij de ijzeren mannen, geeft de context waarin dit beeld is geplaatst, uitsluitsel: we bevinden ons op het terrein van een jeugdgevangenis. We kunnen in de figuur dus een gevangene zien, die spijt heeft van zijn daden.

Zouden we met die conclusie klaar zijn, dan deden we het beeld tekort. Het brengt, los van de gegeven context, een universelere betekenis onder, die direct verbonden is aan de breekbaarheid en de opgeslotenheid van dit lichaam, deze woorden als gedachtenflarden, de plek waar het zich allemaal afspeelt: de geest.

Wanneer we ons als kijker aan het beeld verbinden, gaat het refereren aan onze eigen ervaringen. Het lijkt ons dan het volgende te vragen: Ogenschijnlijk zijn wij degenen die vrij zijn en is deze glazen man de gevangene – maar hoe vrij zijn wij werkelijk, wanneer we ons realiseren dat wij leven in onze eigen ‘gedachtenkooi’, gevormd door onze geschiedenis, onze weemoed en ons verlangen?

Het beeld maakt ons van buitenstaander tot betrokkene, door te refereren aan onze eigen kwetsbaarheid, die evenzo groot is als de kwetsbaarheid van wie in het gebouw even verderop gevangen zijn, immers: ‘De ander, dat zijn wijzelf.’

Overigens is het beeld minder ‘zwaar’ dan de beschrijving doet vermoeden. De letters geven door hun vorm en hun betekenis een openheid aan de kooi en een zekere lichtheid ook, zoals weemoed niet altijd zwaar, maar ook licht kan zijn, een stemming die ons omhult en onze blik op de wereld kleurt. Evenmin is de betekenis van het beeld zwaar, hermetisch of gesloten; het is betekenis die open is, oproepend, ruimte latend aan de verbeelding, zoals een gedicht dat doet, in de witte regels tussen de woorden door.


VLIEG


Het was Jane Goodall die zei: ‘Er ging eens een vlieg op mijn arm zitten, een prachtig beestje, met een harig lijfje, rode oogjes, transparante vleugels. Ik keek ernaar met verwondering – en realiseerde me dat ik, zodra ik het beestje ‘vlieg’ zou noemen, het zou categoriseren en er niet meer met dezelfde open blik naar kijken zou.’

Voor wie zich wil verdiepen in het werk van Albert Geertjes is dit een interessante uitspraak. In zijn werk speelt de taal een belangrijke rol. Hij neemt het verhaal (door hem gemaakt of aan hem aangereikt) als uitgangspunt bij het zoeken naar een vorm voor zijn werken, en roept, als een dichter, in vorm en materiaal betekenis op. Daarbij werkt hij ook nog eens letterlijk met woorden, zinnen en teksten. Zijn werk ontstaat vanuit een intense verbondenheid met de wereld om hem heen en vraagt eenzelfde verbondenheid van de kijker, waarbij het dan weer nodig is de taal, de woorden, los te laten om de zeggingskracht over te laten aan het beeld.


Geertjes laat in zijn werk taal en beeld een samenspel aangaan. De ijzeren mannen in het bos krijgen hun werkelijke zeggingskracht door de manier waarop ze gemaakt zijn en de omgeving waarin ze zich bevinden, maar het toegevoegde verhaal richt onze blik. De glazen man ontroert door zijn kwetsbare lichaam in die roestige ijzeren kooi, maar de woorden van weemoed en verlangen ‘tunen’ ons bij het kijken. In dit laatste geval hebben de letters, los van hun verwijzende en evocatieve betekenis, ook nog eens een beeldende functie: zij bepalen de vorm van de kooi, geven hem een ritme en een openheid, een kleur en een stemming. Daarbij versterken ze, door het feit dat ze verroest zijn, het beschreven gevoel van ‘voorbij’.


TAFEL


Behalve autonome beelden, die zich tonen om zichzelf, maakt Albert Geertjes ook gebruiksobjecten: tafels, stoelen, kasten en lampen. Soms zijn deze direct als zodanig herkenbaar, dat wil zeggen voldoend aan het beeld dat we hebben van een tafel, stoel, kast of lamp; vaak zijn het eigenzinnige voorwerpen, die zich bewegen op het grensvlak van de toegepaste en de autonome kunst.

Ook in zijn gebruiksobjecten speelt Geertjes het spel met taal en beeld. De gebruiksfunctie ervan maakt ons vooringenomen: een tafel is een tafel. Maar het woord is niet het ding: juist hier worden we uitgedaagd om, als Goodall, onze categorieën te laten voor wat ze zijn en eenvoudig te kijken. Zien we functie, verhaal of vorm? En wat vertelt de vorm ons?


Het Geert Groote Instituut in Zwolle gaf Geertjes de volgende opdracht: ‘Maak een tafel waaraan mensen vanuit verschillende achtergronden en gezindten plaatsnemen, om met elkaar in dialoog te treden.’ Geertjes vatte het instituut op als een plek van waaruit gedachten en ideeën zich verspreiden over de wereld en verbeeldde dit zo: ‘De gedachte wordt als een steen in het water geworpen…de cirkels breiden zich uit en uit…’ Aldus ontstond een glazen tafel als een gestolde vijver, waarin een steen viel, die rimpels maakte in het oppervlak, eindeloos uitwaaierend, uitnodigend tot bespiegelingen.

We doen recht aan het object wanneer we kijken naar wat zich voordoet: het is niet de tafel, niet de vijver, maar de ellips, het is het transparante, breekbare glas, het zijn de lijnen en segmenten, de zware steen in het midden, die het oppervlak doorboort. Het is de poëzie van het beeld, waarin we ons verbinden aan de steen en een taalloze betekenis toelaten, die, tenslotte, door Geertjes toch weer in woorden wordt aangeraakt:


steen in water


het verlangen stil te zijn

en één te zijn

met slik en veen en

te rusten in schijnduister

met één oog open naar het twijfelend licht


het verlangen omsloten te zijn

veilig taalloos de eigen kringen

te zien ontgolven

neer te dwalen naar een ander weten

(kun je een vis uitleggen wie de wind is?)


is het dit verlangen

dat mij door die spiegel wringt

dat het water open dwingt

mij toelaat

mij tijdloos eindeloos omringt?


TIJD


Het onderscheid tussen autonoom en toegepast, is in het werk van Albert Geertjes nauwelijks relevant. Wat een autonoom werk ‘autonoom’ maakt, is dat het voortkomt uit een onafhankelijke vraagstelling en een eigen onderzoek. Het vertelt een verhaal, dat niet op een andere manier verteld had kunnen worden, omdat het direct gebonden is aan zijn vorm. Voor Geertjes speelt het onderzoek zich af binnen het kader van de context (een opdracht tot een herdenkingsmonument) of de functie (een tafel, een stoel, een lamp); hij zoekt daarbij de uiterste grenzen op en stelt zijn eigen vragen. Zowel de toegepaste als de autonome werken ontlenen hun zeggingskracht aan hun autonome, beeldende kwaliteiten.

In de interactie met de wereld – de omgeving, de context, het referentiekader van de kijker – ontstaat de uiteindelijke betekenis van het werk. Deze kan zich telkens opnieuw ontvouwen en is daarmee niet statisch, vaststaand, maar dynamisch, meebewegend door de tijd. Het werk levert de ingrediënten. Het is aan de kijker om steeds opnieuw te blijven kijken, te switchen van taal naar beeld, van functie naar vorm en van vorm naar betekenis, en daarmee ruimte te geven aan een ‘ander weten’.



VROUW


De beeldhouwer Pygmalion maakte een vrouw van steen en werd verliefd op zijn eigen schepping. Zo laten wij ons ontroeren door een stel stalen platen, omdat we er een ziel in zien, wat op zichzelf al een wonder is. We zijn geraakt door een glazen man omdat we ons in hem herkennen (of niet), door een steen die een kwetsbaar oppervlak doorboort; door de helderheid van het glas, de verweerdheid van het ijzer – door betekenissen die we ondergebracht zien in een taal zonder woorden.


Waarnemen is een binding aangaan. Het ‘de ander, dat zijn wijzelf’ geldt, in het kader van het werk van Albert Geertjes, niet alleen voor de mensen, maar ook voor de dingen. Het werk nodigt uit tot een open blik en een verbondenheid met de wereld om ons heen, zo je wilt tot mededogen, al zal Geertjes zelf dat woord niet snel gebruiken – want ‘waarover men niet spreken kan, daarover moet men zwijgen’.


©Janet Meester, 2009